Le croissant du week-end: Matisse, 1941-1954
In Le Croissant, de weekendspecial van Baguette Gazette, duiken we deze week in het leven van kunstenaar Henri Matisse vol gouaches découpées, iconische Nus Bleus en ontelbaar veel speldenprikjes.
Coucou,
Vandaag staat Le Croissant, de weekendspecial van Baguette Gazette, helemaal in het teken van kunstenaar Henri Matisse. Sinds deze week kun je in het Grand Palais in Parijs namelijk de tentoonstelling ‘Matisse 1941-1954’ bezoeken en geloof me: dat wil je. In deze laatste fase van zijn leven was Matisse creatiever dan ooit en maakte hij vele iconische werken zoals de series ‘Intérieurs de Vence’, ‘Les Nus Bleus’ en natuurlijk de gouaches découpées. Het resultaat: een rijke tentoonstelling met een fijne thematische indeling die je langs bekende klassiekers en nieuwe verrassingen voert. Matisse is kleur en vaak ook gróót en véél, dus sensory overload ligt absoluut op de loer. Mijn tip: probeer wat ‘oehs’ en ‘ahs’ over te houden voor de Nus Bleus he-le-maal aan het einde.
Dan ook nog even zeuren, want kan iemand mij uitleggen waarom de expositieteksten naast de kunstwerken zó klein worden afgedrukt? Het was geregeld dringen om de tekstjes in lettergrootte 8 te kunnen lezen. Grand Palais, dat kan beter! Maar ook na het lezen van de kleine lettertjes miste ik hier en daar nog wat achtergrond. Gewoon omdat het dan nóg meer gaat leven. Matisse was natuurlijk al beroemd in zijn eigen tijd, niet alle grootmeesters maken dat mee, maar hoe succesvol was hij precies in 1941? En hoe zag zijn wereld er op dat moment uit? Daar duiken we vandaag in.
‘J’espère qu’aussi vieux que nous vivrons, nous mourrons jeunes.’
Henri Matisse, 1950
Matisse, Chagall, Renoir, Picasso; het zijn slechts enkele van de vele beroemde kunstenaars die voor een langere periode in Zuid-Frankrijk neerstreken en wiens musea je kunt bezoeken in Nice, Cagnes en Antibes. Ik ben dol op een bezoekje aan deze musea, maar wie rijke Parijse exposities gewend is, moet in Zuid-Frankrijk even bijschakelen. Soms zijn de handvol topstukken bijvoorbeeld allemaal uitgeleend en kom je voor niets. Of nou ja, niets, je komt er toch vooral om de sfeer te proeven, om ook geïnspireerd te raken, net als deze kunstenaars.
De expositie in het Grand Palais beslaat de periode 1941-1954 die Matisse geheel aan de Côte d’Azur doorbracht. Dus terwijl ik in het prachtig gerenoveerde Grand Palais langs de werken van Matisse schuifel, probeer ik in mijn achterhoofd te houden dat al deze werken gemaakt zijn onder de Zuid-Franse zon in Nice en Vence. Matisse had zijn atelier in het voormalige Hôtel Régina in de hooggelegen wijk Cimiez in Nice, dezelfde wijk waar je tegenwoordig ook het knalrode Musée Matisse kunt bezoeken. Hier was hij de eerste jaren van de Tweede Wereldoorlog productiever dan ooit. Matisse verliet Nice uiteindelijk samen met zijn assistente Lydia Delectorskaya toen de stad te gevaarlijk werd. Ze weken uit naar het dorpje Vence in het achterland van Nice. In Villa Le Rêve zouden uiteindelijk zijn wereldberoemde gouacheknipsels tot leven komen.
De rechtenstudent
Om scherp te krijgen waar Matisse in 1941 staat in zijn carrière moeten we even terug in de tijd. Henri Matisse werd geboren in 1869 in Cateau-Cambrésis in Noord-Frankrijk. Twee keer in zijn leven zou een buikoperatie zijn parcours drastisch veranderen, in zijn twintiger jaren en in 1941. In tegenstelling tot succesvolle generatiegenoten als Picasso, was hij geen schilderend wonderkind, maar begon hij pas rond zijn twintigste met schilderen. Toen rechtenstudent Matisse aan het herstellen was van een blindedarmoperatie, was het zijn moeder die hem schilderspullen cadeau deed om de tijd te verdrijven. het schilderen voelde als thuiskomen en hij besloot zijn carrière om te gooien.
Vlak voor de eeuwwisseling, in 1898, trouwde Matisse met Amélie Noellie Parayre, die zijn dochter uit een eerdere relatie, Marguerite, adopteerde en met wie hij zoons Jean en Pierre kreeg. Marguerite hing altijd in het atelier van haar vader rond en regelde op den duur alles in het atelier, inclusief onderhandelingen met beroemde verzamelaars als Gertrude Stein en de gezusters Cone.
Wéér een raam van Matisse
Het was in 1905 dat Henri Matisse doorbrak met zijn kleurrijke schilderstijl die van hem gelijk de leider van een nieuwe beweging maakte: het fauvisme. Belangrijke verzamelaars wisten hem steeds beter te vinden en in zijn atelier in Issy-les-Moulineaux, onder de rook van Parijs, was hij constant bezig de grenzen van de moderne schilderkunst te verleggen. Matisse’s schilderstijl veranderde geregeld, van uitbundig en kleurrijk tot somber en hier en daar duister in de werken die hij maakte tijdens de Grande Guerre, de Eerste Wereldoorlog, waarin zijn twee zoons vochten. Het einde van die oorlog bracht kleur terug in zijn werk. In de jaren twintig koos hij voor decoratief en klassiek met veel kleur. Gedurende de jaren dertig bleven die typische Matisse-kleuren, maar werd zijn werk steeds gedurfder en abstracter. Eind jaren dertig was Matisse een gevierd kunstenaar, maar ook kreeg hij veel kritiek over zich heen. Hij zou voorspelbaar geworden zijn en repetitief. Zo schreef de beroemde schrijver André Breton verveeld: ‘Un Nu de Derain, une nouvelle Fenêtre de Matisse, quels plus sûrs témoignages…’
Eind jaren dertig was de artistieke reputatie van Matisse dus niet meer wat het geweest was. Niet langer behoorde de kunstenaar tot de avant-garde en zijn gezinsleven stond op instorten. Over Matisse wordt gezegd dat hij een onrustige, driftige aard had. Hij was altijd bezig met zijn werk en was in deze periode vaak verbitterd. De gezondheid van zijn vrouw Amélie, die al jaren last had van depressies en andere kwalen, ging deze periode in zo’n rap tempo achteruit, dat zij en Henri besloten om een verpleegster in dienst te nemen. Introducing: de Russische Lydia Delectorskaya, die enkele jaren later model, muze en zelfs studiomanager van Matisse zou worden. De aanwezigheid van Lydia leidde tot zoveel spanning dat Amélie zelfs besloot van Matisse te willen scheiden.
‘Ontaarde kunst’
Privé ging het Matisse dus allesbehalve voor de wind toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak in het voorjaar van 1940. Onder degenen die Parijs en Frankrijk probeerden te ontvluchten waren natuurlijk ook veel kunstenaars. Moderne kunst werd door het naziregime ‘Entartete Kunst’, ‘ontaarde kunst’, genoemd en ‘ontaarde kunstenaars’ werden als vijanden bestempeld. Ook Matisse had kunnen vertrekken, maar koos ervoor om te blijven. Zijn jongste zoon Pierre had in de jaren twintig in New York een kunstgalerie geopend en hij zorgde er in deze periode voor dat vele kunstenaars, waaronder Marc Chagall, Frankrijk konden ontsnappen. Zelfs een beloofde baan in San Francisco en een visum voor Rio de Janeiro konden Matisse overigens niet overtuigen om Frankrijk te verlaten. De inmiddels zeventigjarige kunstenaar besloot te blijven, maar dat niet alleen: hij bleef ook kunst maken. Gevaarlijk, niet in de minste plaats voor zijn Russische compagnon Lydia. Over Frankrijk ontvluchten zei hij: ‘Il me semblait que je désertais. Si tous ceux qui ont une valeur quittent la France, que reste-t-il de la France?’
In mei 1940 was Frankrijk een chaos en in die chaos kostte het Matisse wel honderd dagen om van Parijs door bezet gebied naar Nice te reizen. Wie denkt dat Nice op dat moment een kalme vakantiebestemming was, heeft het overigens mis. Mussolini had zijn oog op Nice laten vallen. De stad was immers ooit Italiaans geweest en de hete adem van het fascistische Italië was hier dus continu voelbaar. Veel dreigender was op dat moment echter de gezondheid van de kunstenaar. Al sinds de vroege jaren dertig had Matisse namelijk last van ondragelijke buikkrampen, maar begin 1941 ging het écht mis. Hij bleek kanker aan de twaalfvingerige darm te hebben en werd met spoed opgenomen in het ziekenhuis van Nice en met veel gedoe naar Lyon getransporteerd voor een spoedoperatie. Uiteindelijk kwam zijn dochter Marguerite ervoor uit Parijs en zorgde ze er samen met Lydia, die inmiddels Matisse’s muze en model was geworden, voor dat Matisse in Lyon de levensreddende operatie kon krijgen die hij nodig had. Tussen Marguerite en Lydia was de sfeer nog steeds ijzig, maar dat telde nu even niet. Matisse kroop door het oog van de naald, maar na twee noodoperaties én een levensbedreigende infectie kon hij het ziekenhuis in de lente van 1941 gelukkig weer verlaten. In 1942 schreef hij tijdens zijn revalidatie: ‘J’avais tellement préparé ma sortie de la vie, qu’il me semble être dans une seconde vie.’
Creatieve opleving
En dat brengt ons bij het beginpunt van de expositie in het Grand Palais: 1941. Matisse heeft a new lease on life gekregen, maar is fragieler dan ooit. Lydia zorgde voor Matisse, die te zwak was om voor de schildersezel te staan. Toch was de kunstenaar de positiviteit zelve; hij was dankbaar voor dit ‘tweede leven’ en hij beleefde een creatieve opleving. Nooit eerder was hij zo productief en gebruikte hij zoveel verschillende technieken en materialen. De absolute hoogtepunten uit dit gedeelte van zijn carrière komen in deze indrukwekkende expositie in Grand Palais uitgebreid voorbij: de evolutie die de kunstenaar op bijna tachtigjarige leeftijd meemaakte door zijn gouacheknipsels, maar ook de serie schilderijen ‘Intérieurs de Vence’, de iconische serie Les Nus Bleus en natuurlijk la Chapelle du Rosaire in Vence waar hij alles ontwierp, van de glas-in-loodramen tot het dak en het meubilair.
Jazz
In 1943 begon Matisse aan een van de belangrijkste projecten uit zijn carrière: de collages voor zijn latere boek Jazz. Omdat schilderen te vermoeiend was, bedacht hij een nieuwe werkwijze. Hij liet dikke vellen papier in effen kleuren beschilderen met gouache, een dekkende verfsoort op waterbasis die lijkt op aquarel. Vervolgens knipte hij uit die gekleurde vellen vormen met een kleermakersschaar. Met behulp van Lydia speldde hij de vormen vast op de muur. Zo kon hij composities verplaatsen, draaien en opnieuw opbouwen zonder te hoeven tekenen of schetsen. Op de werken zijn vaak nog de sporen van dit proces zichtbaar in de vorm van talloze spelden- en punaisegaatjes. Wat begon als een praktische oplossing voor een herstellende, vaak bedlegerige kunstenaar, groeide al snel uit tot een volwaardige artistieke methode.
Aanvankelijk wilde Matisse de reeks Le Cirque noemen, een titel die verwees naar de kleurrijke, maar ook marginale wereld van circusartiesten, maar later koos hij voor de titel Jazz, een bewuste verwijzing naar de improvisatie en vrijheid van de muziekstijl, die door de nazi’s juist werd verafschuwd. Een van de meest aangrijpende beelden is Le Cauchemar de l’Éléphant Blanc. Het toont een olifant die, als in een circusact, balanceert op een bal. Toen men Matisse naar de betekenis vroeg, antwoordde hij simpelweg: ‘C’est moi.’
La Résistance
Tijdens de oorlog lukte het Matisse aardig om contact te houden met Marguerite, die in het bezette Parijs woonde, maar in het voorjaar van 1944 – toen hij met Lydia in Vence in de Villa Le Rêve woonde – hoorde hij opeens niets meer. Hij maakte zich, met recht, grote zorgen. Marguerite Matisse was op vijftigjarige leeftijd het verzet in gegaan en bracht als koerier informatie van Parijs naar Normandië en Bretagne. Ook haar moeder Amélie was overigens actief in het verzet, net als zijn oudste zoon Jean die de geallieerden hielp bij sabotageacties. In mei 1944 kwam Matisse het vreselijke nieuws ter oren dat zijn vrouw en dochter opgepakt waren. Daarover schreef hij in een brief aan Charles Camoin, goede vriend en kunstenaar, het volgende: ‘Mon cher Charles, je viens d’avoir le plus terrible choc de ma vie. Ma femme et ma fille ont été arrêtées. Aucun détail, aucune autre nouvelle. Déchire ma lettre après l’avoir lue.’
Waar Matisse pas na de oorlog achter zou komen, was dat Marguerite gemarteld werd in de gevangenis van Rennes en daarna gedeporteerd, maar gelukkig in Belfort werd bevrijd. Amélie werd op haar beurt door de Gestapo opgepakt waarna ze zes maanden doorbracht in de gevangenis in Fresnes, vlak bij Parijs. Ze overleefde het, net als haar geadopteerde dochter Marguerite en zoons Jean in Zuid-Frankrijk en Pierre in New-York.
Alles tegelijk
In de jaren na de oorlog verdeelden Matisse en Lydia hun tijd tussen Le Rêve in Vence en het atelier in het voormalige Hôtel Régina in Nice. Van die ateliers moet je je voorstellen dat overal uitgeknipte gouaches lagen en hingen, naast een olieverfschilderij of tekening op een ezel en dat Matisse zich tussen al zijn projecten bewoog, met alles tegelijk bezig, constant schakelend. Zo maakte hij tussen 1946 en 1948 nog de serie ‘Intérieurs de Vence’, die gezien kan worden als afscheid van de schilderkunst. Van 1948 tot 1951 ontwierp hij de Chapelle du Rosaire in Vence en in de lente van 1952 maakte hij Les Nus Bleus die je alle vier als kers op de taart aan het einde van de tentoonstelling kunt bewonderen. En ja, je kunt waarschijnlijk vijf vrienden opnoemen die een reproductie van een van de Nus Bleus aan de muur hebben of hadden hangen, maar ze blijven indrukwekkend.
Mentor & muze
Op 3 november 1954 overleed Matisse in Nice het bijzijn van zijn dochter Marguerite en zijn muze en assistent Lydia. Over Matisse schreef de New York Times: ‘One of the young rebels who lived long enough to be regarded as an old master. His life was an integral and important part of what has come to be known as the Modern Movement.’
Na zijn overlijden verdween Lydia stilletjes van het toneel, dankbaar voor haar tijd met de kunstenaar, maar zich ook ten zeerste bewust van het feit dat de kinderen van Matisse haar liever kwijt dan rijk waren. Lydia was niet welkom op de begrafenis en vertrok met slechts haar koffer, zonder ook maar één werk of aandenken aan haar jarenlange samenwerking met Matisse. Haar wens toen ze zelf overleed in 1998? Dat er een hemd van Matisse bij haar in de kist zou worden gelegd.
~ Fin
De tentoonstelling ‘Matisse, 1941–1954’ is in het Grand Palais te zien tot en met 26 juli.
Benieuwd naar nog meer Matisse in oorlogstijd? Lees dan het boek Matisse in War: Art and Resistance in Nazi Occupied France geschreven door Christopher C. Gorham.














😍😍😍
Leuke column weer.