Baguette Gazette #6
Viral luxeboter, sculpturale architectuur aan de Côte & bars à vin in Parijs & Draguignan. Ook in deze nieuwsbrief: Lee Miller, Jean Cocteau, Guérande's witte goud en de tuinen van Domaine du Rayol.
Coucou,
Vandaag zit ik weer in de auto naar Zuid-Frankrijk, enfin! Met een achterbak vol klusspullen en een blije hond die voelt dat we weer op stap gaan, kar ik vandaag weer naar het zuiden met als eindstation de bergen van de Mercantour.
De week voor vertrek begint het altijd al te kriebelen. Elke dag pak ik wel een tasje in en ook de lijst met wat ik allemaal in de tuin wil gaan doen, ligt al klaar. Je kunt het maar alvast bedacht hebben, toch? Ook mag ik van mezelf toegeven aan mijn verslaving: continu op de webcam van mijn boshuisje kijken. Dat gaat dan ongeveer zo: ‘Zie ik daar soms de buurkat lopen?’, ‘Oef, het gras lijkt wel heel hoog te staan’, ‘Wat is dat voor natte plek op de buitenmuur?’ en ‘Ah shit, volgens mij ligt daar een dood vogeltje …’.
Ik ben dol op de totale schijncontrole van de webcam, want eigenlijk heb je er niks aan als je ver weg zit. Ja, je kunt lekker meekijken, maar als de camera ineens offline is, schrik je toch. Natuurlijk wiebelt het elektriciteitsnet bij de minste onweersbui al gevaarlijk in de bergen; zo bibberen de lichten vaak genoeg en het gebeurt geregeld dat de oven opeens weer op 00:00 staat als je terugkomt van een boodschapje. Maar als je ver weg bent, slaat de twijfel dan toch toe. Is er misschien een aardbeving geweest? (heb ik daar al meegemaakt), of een verwoestende regenramp? (in 2020 vernielde tempête Alex in enkele uren een deel van mijn vallei). Nee, arrête de te stresser pour rien, waarschijnlijk doet het SFR-modem het gewoon weer ’ns niet.
Maar soms kan ik die webcam wel zoenen, want ze legt ook hooggeëerd bezoek vast. ‘s Nachts zijn dat vooral poezen en ook soms een marter of een vosje. Maar drie weken geleden kon ik mijn ogen niet geloven toen ik opeens, heel nonchalant, een ree door het beeld zag lopen. Een prachtige chevreuil die met zijn witte kontje lekker in mijn tuin liep te grazen. Hij sprong van talud naar talud en hupste toen uit beeld. Magisch, ik heb het filmpje wel dertig keer bekeken.
Misschien toch de tuin nog even niet maaien?
P.S. Een aantal van jullie wees me erop (n.a.v. mijn verhaal over Père-Lachaise in Baguette Gazette #5) dat Jacques Chirac natuurlijk niet op Père-Lachaise, maar op Cimetière du Montparnasse begraven ligt. Mea culpa!
Paris
PIPA
Ik schreef er al over in mijn Guide de Ménilmontant: de gezellige Rue Sorbier, die voelt als een plein, waar ik het liefst elke lente- en zomeravond zit. Als de terrassen hier vol zitten, lijkt het altijd een beetje te gonzen van de gezellige gesprekken. Eén van mijn favoriete zaakjes om neer te strijken is PIPA. Deze bar à vin français wordt gerund door Margot Lavialle en Morgane Saguedolce; vrouwen die weten waar ze het over hebben. Bij Pipa ligt de focus op (natuur)wijn, maar je kan er ook lekker tafelen. Tijdens de borrel zijn er kleine hapjes om te delen en na 19.00 uur is er een iets uitgebreidere kaart met één duidelijke gemene deler: smaak. Elke donderdag is er een happy hour: twee oesters en een glas witte wijn voor €7, say no more. Wij kozen vorige keer voor de rillettes, frisse oesters met citrus en een tataki de boeuf die schandalig lekker was. Geen zin in shared dining? Elke zaterdagmiddag kun je vanaf 12.00 uur aanschuiven voor platte, maar daarom niet minder lekkere, moules frites.
Pipa, 6 Rue Sorbier
Draguignan
Pulpe
Draguignan een saaie stad? Think again. Draguignan ligt in de Dracénie, het deel van de Var met fijne dorpjes zoals Lorgues, Flayosc, Callas en Bargemon. Sinds ik klein ben, komen we hier veel, maar Draguignan zelf stond eigenlijk nooit op het lijstje. Het centrum van deze historische stad lag er in de jaren 2000-2010 een beetje verlaten bij. Draguignan was tot 1974 de prefectuur van het departement Var, daarom zie je hier ook vrij veel statige gebouwen. Daarnaast is Draguignan ook een militair centrum. Zo zijn er militaire opleidingen, vind je er het Musée de l’Artillerie en kun je ook de indrukwekkende cimetière Américain de Draguignan bezoeken waar Amerikaanse soldaten begraven liggen die sneuvelden tijdens le Débarquement de Provence in 1944.
Enfin, Draguignan is niet meer die stad waar je snel doorheen sjeest, want in de stad zelf gebeurt steeds meer. In het Hôtel Départemental des Expositions du Var zijn geregeld interessante tijdelijke exposities, net als in de Chapelle de l’Observance. Ook openen er aan de lopende band leuke adresjes in de stad, waarvan Pulp absoluut een van mijn favorieten is. Bij Pulp, gerund door Mathilde en Ornella, kan je in de cave snel een fijne fles (natuur)wijn halen, maar je kunt hier ook de hele avond tafelen. Overdag is Pulp een coffeeshop waar je kunt neerstrijken voor bijvoorbeeld avocado toast, tosti’s, homemade patisserie, matcha en specialty coffee. Elke eerste zondag van de maand is er een uitgebreide brunch. Daarnaast nodigt Pulp elke week andere chefs uit die op donderdag-, vrijdag- en zaterdagavond hun eigen menu presenteren. Mathilde en Ornella presenteren met enthousiasme natuurwijnen en kleine domeinen uit de regio. Dat, in combinatie met de altijd wisselende kaart, maakt dat ik het liefst morgen alweer bij Pulp op het terras ga zitten.
Pulpe, 3 Boulevard Georges Clemenceau


Paris
Le rayon des beurres
Het lijkt wel een bedevaartsoord voor foodies: La Grande Épicerie in Parijs. Maar toen ik hier laatst voor iets anders was (dit geweldige oestermes van Opinel), viel de drukte bij één koelvak me gelijk op. Allereerst even een introductie voor wie niet bekend is met La Grande Épicerie, de foodafdeling van Le Bon Marché op Rue de Sèvres in het 5e arrondissement. Het is een heerlijke plek om te windowshoppen (óf om je te ergeren aan alle luxe en overdaad, want het is hier wel echt over the top, beaucoup). Van de visafdeling met kreeften en plateaux de fruits de mer, een traiteur waar een bakje van het een of ander al snel een nier kost en een slagerij waar de indrukwekkende hammen aan het plafond hangen. Bij La Grande Épicerie doet trouwens niemand, behalve een handvol riches, écht z’n boodschappen.
Maar terug naar dat ene koelvak: le rayon des beurres. Daar stond namelijk een rij die zo lang was dat ’ie ook helemaal langs de yoghurtjes en de Franse kazen slingerde. Iedereen – een mix van Fransen en toeristen – wachtte netjes op zijn of haar beurt voor het boterschap en dat schap ís ook indrukwekkend: La Grande Épicerie zegt namelijk tweehonderd soorten boter te verkopen. klassieke boters (doux, demi-sel, cru, baratte), AOP-boters (zoals Charentes-Poitou) en de boters waar de meeste mensen op afkomen: gearomatiseerde boters met bijvoorbeeld truffe, alges, piment d’Espelette en yuzu.
In Parijs is luxe boter de afgelopen jaren uitgegroeid tot een gewilde souvenir. Zo schijnen toeristen, voornamelijk Amerikanen en Japanners, massaal boter in te slaan voordat ze naar huis gaan. Sommigen kopen wel tien pakjes boter tegelijk (die je overigens bij de kassa kunt laten vacumeren, zo zeggen de stickers op de deuren van het koelvak in het Engels, Russisch, Japans, Spaans en enkele andere talen). Volgens Le Parisien ontstond de trend na de Olympische Spelen van 2024 en is de boterverkoop bij La Grande Épicerie in twee jaar met driehonderd procent gestegen.
De keuzestress sloeg bij de meiden voor mij in de rij zichtbaar toe toen hun beurt dichterbij kwam, maar uiteindelijk gooiden ze van het botermerk Le Beurre Dupont de volgende pakjes in hun mandje: échalotes et estragon, cristaux de sel de Guérande, ail et herbes en salé à la truffe noire. Daarnaast zijn boters van Maison Bordier uit Bretagne en Échiré met het AOP Charentes-Poitou populair.
‘Avec du beurre, tout est meilleur’, zou Julia Child ooit hebben gezegd en ik sluit me daar volledig bij aan. Hype of niet, deze boters zijn geweldig en als je een culi-cadeautje uit Parijs mee wil nemen, dan is dit een leuk alternatief op de fromage die je normaal misschien meeneemt voor de thuisblijvers.
La Grande Épicerie de Paris, 38 Rue de Sèvres, 7e arrondissement


Côte d’Azur
Architect Jacques Couëlle
Wie aan de Rivièra van de jaren vijftig denkt, ziet waarschijnlijk slaperige kustdorpjes en grote ouderwetse landhuizen in de heuvels voor zich. Na de Tweede Wereldoorlog krabbelde de Côte d’Azur voorzichtig weer op als mondaine bestemming, maar de oude Rivièra – met name ingericht voor de aristocratische hivernants en een waar toevluchtsoord voor kunstenaars – moest in deze periode steeds meer plaatsmaken voor de nieuwe, glamoureuze Rivièra. Illustratief voor deze verandering was het succes van de film Et Dieu … créa la femme met Brigitte Bardot waardoor Saint-Tropez in 1956 plots wereldberoemd werd.
Het is op dit scharnierpunt dat architect Jacques Couëlle op het toneel verschijnt. Deze autodidact, geboren in Marseille in 1902, wist met enkele bijzondere bouwwerken zijn stempel op de Côte te drukken, maar is daarna – onterecht – in de vergetelheid geraakt. In een tijdperk waarin Le Corbusier en het modernisme de toon zetten met standaardisering, rechte lijnen en industriële logica, kiest Couëlle resoluut voor het tegenovergestelde: intuïtie, rondingen en architectuur die zich juist naar het landschap voegen. Het werk van Couëlle beweegt zich op het snijvlak van architectuur, sculptuur en landschap. Hij noemt zijn ontwerpen dan ook maisons-paysages: sculpturale huizen die uit het terrein lijken te groeien.
Eind jaren vijftig realiseert Couëlle boven Mouans-Sartoux, met uitzicht op de baai van Cannes, een van zijn meest radicale projecten: Castellaras. De huizen volgen de helling van het terrein, met split levels, onregelmatige openingen en terrassen die binnen en buiten in elkaar laten overlopen. En ook de bouw zelf is experimenteel: zo laat de architect metalen structuren met beton bespuiten, wat zachte vormen oplevert. Na Castellaras ontwerpt Couëlle in 1964 Dragon Hill en is hij betrokken bij het ontwerp van het ambitieuze kustproject Port La Galère in Théoule-sur-Mer.
Maar in Théoule-sur-Mer, daar staat toch ook het Palais Bulles? Jazeker en het werk van Couëlle is dan ook nauw verbonden met dat van collega Antti Lovag, die met hem samenwerkte aan projecten als Castellaras en Port La Galère. Lovag ging zelfs nog een stapje verder. Waar Couëlle verankerd bleef in landschap en materiaal, koos Lovag voor een bijna futuristische vormentaal, met zijn beroemde maisons bulles zoals het Palais Bulles en Maison Bernard.
Wil je Couëlles werk van dichterbij bekijken? Dragon Hill is sinds enkele jaren een artist residency en je kunt de villa sculpture op afspraak bezoeken: hello@dragonhill.fr.
Paris
Lee Miller
Musée d’Art Moderne Paris
Fotografe Lee Miller mag met recht een sleutelfiguur in de 20e-eeuwse fotografie worden genoemd. Vaak wordt de nadruk gelegd op haar rol als muze binnen het surrealisme, maar dat zou haar carrière te kort doen. Gelukkig kun je tot 2 augustus in het Musée d’Art Moderne de Paris naar een retrospectieve die haar hele carrière omvat. De tentoonstelling, geïnitieerd door Tate Britain, laat bijna 250 vintage en moderne afdrukken samenkomen, waaronder nooit eerder getoond werk. Miller was een duizendpoot; ze was niet alleen model, maar ook modefotograaf en oorlogscorrespondent. Die ene iconische foto van een vrouw in Hitlers badkuip? Dat was Lee Miller.
De tentoonstelling volgt Miller vanaf het New York van eind jaren twintig, wanneer ze doorbreekt als model, tot haar beslissende ontmoeting in Parijs met Man Ray. Ze opent haar eigen studio, heeft opdrachten voor Vogue en verblijft in 1934 in Egypte, een plek die grote indruk op haar maakt. Het zwaartepunt van de expositie ligt echter bij de Tweede Wereldoorlog. Vanuit Londen werkt Miller voor de Britse editie van Vogue, maar als ze in 1942 als een van de weinige vrouwelijke oorlogscorrespondenten door de Verenigde Staten wordt geaccrediteerd, besluit ze het front te volgen na D-Day. Miller maakt in deze periode geen heroïsche oorlogsbeelden, maar foto’s die vooral de menselijke impact van het conflict laten zien. Zo betreedt ze in april 1945, samen met David E. Scherman, de net bevrijde kampen Dachau en Buchenwald, waar ze foto’s maakt die de wereld over zullen gaan. Een van haar meest besproken foto’s ontstaat echter kort daarna in München, in het appartement van Adolf Hitler. Miller poseert er in zijn badkuip; een geënsceneerde foto die uit zal groeien tot hét symbool van het einde van de oorlog.
Na de oorlog trok Lee zich terug in Farley Farm House in Sussex. Haar tijd van commerciële fotografie was voorbij, maar Farley Farm groeide uit tot een ontmoetingsplek voor kunstenaars, schrijvers en intellectuelen – een rustiger maar niet minder interessant hoofdstuk van haar leven.
De tentoonstelling Lee Miller is the zien tot 2 augustus in Musée d’Art Moderne Paris.

Menton
Portraits autoportraits Jean Cocteau et ses amis
Musée Jean Cocteau Le Bastion
Hoe zag Jean Cocteau zichzelf en hoe zagen anderen hem? In deze tentoonstelling in het Cocteau-museum in Menton hangen Cocteaus beroemde zelfportretten naast portretten die vrienden, kunstenaars en fotografen van hem maakten. Cocteau werd al jong geportretteerd door grote namen uit de moderne kunst. Zo ontmoette hij in Montmartre onder anderen Amedeo Modigliani en Pablo Picasso, die hem beiden vastlegden. Met Picasso ontstond overigens een innige en turbulente vriendschap die standhield tussen 1915 en 1963.Ook toont de expositie foto’s van Philippe Halsman en Irving Penn, plus een zeefdruk van Andy Warhol uit 1985, gemaakt in opdracht van verzamelaar Séverin Wunderman voor de opening van diens Cocteau-museum in Irvine, Californië. Uit de portretten ontstaat meer dan alleen een beeld van Cocteau, ook het artistieke milieu eromheen krijgt vorm. De portretten laten zien hoe Cocteau zichzelf zag, maar ook hoe hij werd gezien door de kunstenaars, schrijvers, acteurs en fotografen om hem heen.
De tentoonstelling Portraits autoportraits Jean Cocteau et ses amis is te zien tot 8 juni in Musée Jean Cocteau Le Bastion.
Loire-Atlantique
Het witte goud uit Guérande
Wie dol is op koken, kent de naam Guérande van het geweldige zout dat ze daar winnen. Gedurende de middeleeuwen was Guérande een belangrijke Bretonse vestingstad, iets waar de indrukwekkende poorten en stadsmuren nog aan herinneren. Maar hoe Bretons Guérande ook aanvoelt, toch hoort de stad sinds de 20e eeuw niet meer bij Bretagne. Wél hoort het voor velen bij de culturele regio Bretagne Sud en bij het binnenrijden van de meeste dorpen in de buurt word je begroet door een Frans én een Bretons welkomstbord. Volg je het nog?
Al eeuwenlang vormen de zoutpannen van Guérande een mozaïek van kanalen en roze bassins waar het zeewater doorheen stroomt. Hierdoor kan het zout zich onder invloed van de zon en de wind uitkristalliseren. Het zout is zacht van smaak en erg gezond omdat het veel mineralen bevat. In Guérande wordt al sinds de 9e eeuw zout gewonnen door de paludiers. Zij regelen nog altijd handmatig de waterstand in de verschillende bassins: hoe vaker het water verdampt en wordt bijgevuld, hoe zouter het wordt. Uiteindelijk kristalliseert het zout en kan het met een grote houten schep worden geoogst. Een eeuwenoud ambacht, volledig afhankelijk van zon, wind en regen.
Het zout uit Guérande wordt ook wel het witte goud genoemd. Het gaat dan met name over het flinterdunne fleur de sel dat slechts bij speciale weercondities, waaronder een oostelijke wind, op het wateroppervlak kristalliseert. Het winnen van het fragiele fleur de sel is dus een zeer delicaat proces.
Wil je de marais salants van Guérande bezoeken? Het hele jaar door zijn er rondleidingen door de zoutmoerassen, begeleid door paludiers of natuurgidsen, die doorgaans tussen de 45 minuten en twee uur duren, terredesel.com.

Rayol-Canadel-sur-Mer
Domaine du Rayol
Domaine du Rayol is een landgoed met flinke hoogteverschillen aan de Middellandse Zee, waar planten van over de hele wereld samenkomen op een plek met een rijke geschiedenis. Het bijzondere van het Domaine du Rayol zit niet alleen in de hoeveelheid planten, maar vooral in de opzet: je wandelt er door landschappen uit de hele wereld. De tuin laat zien hoe rijk en verrassend verwant die klimaatzones zijn, van Zuid-Afrika tot Californië.
En die rijke geschiedenis dan? Begin 20e eeuw maakte een spoorlijn tussen Cavalaire en Bormes-les-Mimosas de streek toegankelijk voor de bourgeoisie. Onder hen Alfred Théodore Courmes, die in 1909 een landgoed aan zee kocht. Hij had fortuin gemaakt in de Franse koloniën en bracht van zijn reizen exotische zaden en stekjes mee. Op zijn domein liet hij die planten uitgroeien tot een omvangrijk, bijna experimenteel landschap, compleet met pergola, boomgaard, moestuin en zelfs een eigen station voor export. Na de beurskrach van de jaren 1930 stortte zijn wereld in en helaas maakte hij enkele jaren later een einde aan zijn leven. Het was de volgende eigenaar, Henry Potez, die een art deco-touch aan het domein gaf en de geometrische lijnen aanbracht die tegenwoordig nog altijd zichtbaar zijn.
Eerlijkheid gebiedt te zeggen: in de zomermaanden kan een bezoek aan Domaine du Rayol soms best een pittig uitje zijn. Twee jaar geleden bezocht ik de tuin midden op een hete dag (38 graden) tijdens een persreis. De tuin straalde en nodigde uit tot uren ronddwalen, maar op dat moment was ik het liefst even ergens onder een sproeier gaan liggen. Mijn advies luidt dus: bezoek deze tuin in het laagseizoen, of ‘s ochtends vroeg als het nog lekker fris is, en meld je aan voor de rondleiding. De enthousiaste gidsen maken dat je écht met andere ogen naar de tuin gaat kijken. Is het wel heet? Bezoek de tuinen dan op je gemakje en ga lunchen bij het knusse Café des Jardiniers op het domein. Je kunt er niet reserveren, dus meld je vroeg als het druk is in de tuinen.
Domaine du Rayol, Avenue Jacques Chirac, Rayol-Canadel-sur-Mer, Reserveren kan via domainedurayol.org.



















